|
Nadat Luther in 1517 de Reformatie in gang had gezet gingen al snel de meningen uiteen ten aanzien van de mate van hervormingen. In Zürich kreeg Huldrych Zwingli onenigheid met o.a. zijn aanvankelijke medestanders Conrad Grebel en Felix Mantz. Die wilden eigenlijk een gelovigendoop ipv kinderdoop en een benoeming van predikanten zonder overheidsinmenging, maar dat ging Zwingli te ver. Wederdopers werden ze al snel genoemd en vervolging bleef niet uit. In 1527 werd Mantz als één van de eerste doperse martelaren verdronken. De lekenprediker Melchior Hoffman bracht de doperse beweging via Emden naar de Nederlanden waar Jan Volkerts Trypmaker tegen 1531 in Amsterdam een gemeente stichtte. Als eerste martelaar hier te lande geldt Sicke Freerks, die op 20 maart 1531 in Leeuwarden werd onthoofd. Na verdere terechtstellingen eind 1531 te Den Haag lastte Hoffman een pauze in door 2 jaar het dopen te staken. Maar ontwikkelingen gingen wel onverminderd door. Er groeiden vurige eindtijdverwachtingen en het Rijk zou aanbreken. Hoffman verwachtte dat in Straatsburg, waar hij echter in een kerker werd weggestopt en in 1543 stierf. De Haarlemse bakker Jan Matthijsz. wist velen ervan te overtuigen dat Münster het Nieuwe Jeruzalem zou zijn. Dit liep uit op een drama met veel geweld, persoonsverheerlijking en polygamie.
Een wederdoper die in 1534 door Obbe Philips werd aangesteld als oudste maar toch niet meeging naar Münster was David Joris. Hij dook onder in Dordrecht en zal daarmee een van de eersten in deze stad geweest zijn. Hoewel hij afstand nam van het zwaard en van Münster, ontkwam ook hij niet aan persoonsverheerlijking. Hij beschouwde zich als de 'derde David', maar wel op grond van een openbaring. Een belangrijk werk van hem is het Wonderboeck. Menno Simons kwam later met hem in aanvaring en noemde hem een valse profeet. Lang zal hij ook niet in Dordrecht verbleven hebben. Er bestond een naar hem genoemde stroming; de davidjoristen. Door de afwijkende standpunten van de wederdopers en met name de geweldsuitbarsting in Münster (en in mindere mate ook in Nederland) werden ze zowel door katholieken als protestanten vervolgd. Het heeft dus lang geduurd voordat ze een aanwijsbare plek voor de samenkomst hadden. In 1624 vormden ze een woonhuis aan de Lange Breestraat om tot schuilkerk. Dit stond ter hoogte van Patrimonium. De stroming die hier kerkte noemde men vlamingen. Ze hebben twee belangrijke geschriften voortgebracht:
De gemeente raakte in de 18e eeuw veel leden kwijt (ledental 1740: 40) tot er na 1800 nog maar een handjevol overbleef. Uiteindelijk kreeg koster Abraham Karsdorp de bezittingen in handen door een uitspraak van het gerechtshof. Het pand werd in 1866 verkocht en daarna gesloopt.Vervolgens verscheen een nieuw pand met een soortgelijke bestemming. Dit evangelisatielokaal wordt door de Vereniging voor in- en uitwendige zending verkocht aan de Christelijke werkliedenvereniging "Patrimonium". In 1973 komt het in handen van de Vergadering van Gelovigen. |
|
|
Na enkele decennia van afwezigheid ontstond er aan het eind van de negentiende eeuw een nieuwe Doopsgezinde gemeente die een kerk bouwde in de Lenghenstraat. Op 9 januari 1898 werd de Lenghenkerk door de gemeente in gebruik genomen en op 1 augustus 1968 weer afgebroken. Sinds die tijd kerken ze aan de S.M.Hugo van Gijnweg 12. Overige (verdwenen) Godshuizen |
| Terug naar de kerk | |